Wayuu rancheria Iwouyaa: blijf er weg

Nog even omkijken naar het kamp van Luz Mila

Het uurwerk en onze gids Sergio, het blijft een moeilijke relatie. Deze morgen waren we om 08:30 al aan het rijden, want we moesten het hele eind terug naar Riohacha.

Aan 110km/u door het mulle zand

Onze chauffeur, die ons trouwens elke morgen kwam verwennen met vers fruit en we daarom de koosnaam “Supermario” gegeven hadden, legde er flink de pees op en in vliegende vaart raasden we richting de grote weg. Even vreesde ik dat onze bolide aan 110km/u op haar zij zou gaan in het mulle zand.

Om de haverklap moesten we stoppen voor de péage

Eenmaal op de grote weg richting Uribia werd er plots teruggeschakeld en reden we aan een slakkengangetje verder. Na enige tijd werd duidelijk waarom: we zouden lunchen in Uribia en het zag ernaar uit dat we daar al om 11u zouden zijn.

Sergio stelde voor dat we het lokale cultuurhistorisch museum zouden bezoeken, maar dat was gesloten.

Het centrale plein van Uribia, hoofdstad van de Wayuu

Uit pure wanhoop stelde hij dan voor dat we wat zouden ronddrentelen op het grote plein en ergens iets gaan drinken. Zogezegd zogedaan. En dan weer de auto in. Na een paar 100m stopte hij weer, deze keer bij een hotel. “Hier gaan we lunchen” was de boodschap. Wij zeiden dat we geen honger hadden, maar daar hij Sergio geen oren naar. We stelden de lunch zo lang mogelijk uit, maar uiteindelijk kwam het onvermijdelijke bord toch voor onze neus te staan.

Tesla?

Na de lunch reden we door naar Manaure, waar we de zoutmeren zouden gaan bekijken. Manuare zelf is een plek die niets te bieden heeft en al gauw reden we tussen de gigantische zoutmeren.

Klein deeltje van de 20km² zoutmeren

Sergio en de chauffeur bleven maar rondkijken, tot plots het echte doel van deze omweg duidelijk werd: flamingo’s. Hier in die meren zit een bepaalde bacterie die flamingo’s erg lekker vinden. En door die bacterie krijgen ze hun roze kleur.

Flamingo’s in de zoutmeren bij Manaure

Ruim 400 foto’s later dacht ik dat er wel eentje tussen zou zitten die toonbaar zou zijn en we konden verder, richting Riohacha. We werden om 17u verwacht in de rancheria Iwouyaa, maar arriveerden uiteraard weer véél te vroeg. We werden naar een shelter geleid waar drie hangmatten hingen en dachten dat dat onze slaapplaats zou zijn. Ik zag het niet zitten om onze fototoestellen en dergelijke in het mulle zand neer te leggen en werd al wat humeurig.

Toegangspoort van de rancheria Iwouyaa

Om 17u oordeelden de Wayuu mensen van de rancheria dat we enige aandacht verdienden. Prompt werden er wat krullen op ons gezicht geschilderd en kwam een van de meisjes demonstreren hoe ze hun grote draagtassen maakten. Dat was een prima inleiding om ons naar hun winkeltje met crafts te lokken. De vraagprijs was het dubbele van wat we in Cabo de la Vela betaald hadden. We kochten niets en ze dames waren niet blij.

Daarna werden we verzocht om even verderop op een bankje te gaan zitten. Een viertal mensen begonnen aan de , een primitief dansje waarin ze beweerden allerlei beesten uit te beelden. Wij kregen het er warm noch koud van en weigerden toen ze ons vroegen om mee te dansen.

Rancheria Iwouyaa

Net zoals alle andere “cultural visits” bij primitieve inboorlingen volgde toen een wandeling langs de gronden van deze rancheria. Simpel gezegd: alle groenten zijn uitgedroogd. Er is wel water genoeg voorhanden, maar het lijkt erop dat men er de zin niet van inziet om hier enige schaalgrootte te geven aan hun boerderij.

Tijdens de wandeling ergerden we ons blauw aan Sergio, die aan de ene kant heel te tijd liep te kletsen met de meiden van de rancheria, en anderzijds zijn grote mening gaf over ontwikkelingsprojecten die deze rancheria al geteisterd hebben. In plaats van gewoon te vertalen wat de dames vertelden.

Ons hutje op de rancheria

Toen mochten we eindelijk eens gaan kijken waar we zouden overnachten. Een open hutje met twee hangmatten. Aangestampte aarde als bodem. Geen afscherming tegen de mosquito’s. Spinnen en mieren op de grond. Dit werd een leuk dilemma: ofwel onze rug breken in de hangmat, ofwel tussen ongedierte op de grond.

Het diner werd opgediend. Het was een verrassende compositie van enkele stukjes maïsdeeg en twee knoken met wat vlees eraan. “Geit of schaap” was het antwoord toen ik vroeg om het vlees te benoemen. Meteen einde maaltijd voor ons. We kregen een gebakken eitje als alternatief om de ergste honger te stillen.

Terwijl we nog zaten te kokhalzen om het beetje eten —hopeloos te zout— binnen te krijgen stond een van de Wayuu dames aan het hoofd van de tafel op onze vingers te kijken, alsof ze ons wou aanmanen om snel en flink ons bordje leeg te eten. “Onaangenaam” was hét understatement om de situatie te typeren.

Even later werd duidelijk waarom de dame ons tot spoed aanmaande. Zij wilde ons namelijk zo snel mogelijk bij het kampvuur hebben. Daar zou ze ons vertellen over de werking van een Wayuu clan, hun geloof, hun rechtssysteem, hoe ingewikkeld hun begroetingen zijn — afhankelijk van geslacht en familiale band zijn de begroetingen allemaal anders. Dit verhaal duurde eeuwen, vooral omdat Sergio de dame in kwestie heel de tijd zat te coachen “ben je niets vergeten te zeggen?” “Zou je het ook niet kunnen hebben over …”. Ons bloed kookte stilaan toen ze eindelijk besloten om de stekker te trekken uit deze onnozele vertoning.

Wij claimden moe te zijn en we vertrokken richting hut. We dronken wat pintjes, genoten van stilte en de volle maan. De laatste beslissing van de dag: op de grond of in de hangmat? Anita koos voor een hangmat, ik koos voor de grond.

Dit was een van onze meest miserabele reismomenten ooit.

Geef een antwoord